Mijn ouders,broers, Joël, Darryl en Raphorah

Ik heb al vaak over mijn vader geschreven. Ik merk aan mezelf dat ik dat de laatste tijd wel vaker doe. Schrijven over mijn vader. Denken aan mijn vader. Ik heb daar geen specifieke reden voor. Het lijkt alsof ik onbewust op zoek ben naar paralellen tussen zijn leven en de mijne. Tussen zijn uiterlijk en de mijne. Steeds vaker bekijk ik oude foto’s kinderfoto’s van mezelf waar hij ook op staat. Op die foto’s had hij de leeftijd, als wat ik nu heb. Ik zoek dan naar gelijkenissen. Ik heb daar geen reden voor. Is het trots of is het een vorm van een bevestiging dat ik hem op wil lijken? Als ik de oude foto’s bekijk, dan kom ik bedrogen uit. Ik lijk niet op hem. Op de foto’s lijkt mijn vader meer op een zanger van een jaren 80 rockband, met zijn lange haren. Ik niet. Dat staat mij niet, lang haar. Mijn broer wel. Die liep jarenlang met lang haar rond. Mijn broer is uniek. Mijn broer heeft het gepresteerd om een echte vechterbaasje te zijn, zonder er verwijfd uit te zien. Men zei nooit tegen mij: “Hey ben jij het broertje van die verwijfde Molukker met zijn lange haren? ” Nee. Ze keken wel uit. Mijn broer heeft dat van mijn vader. Allebei lang haar, maar toch angstaanjagend eruit zien.

Ik heb dat niet. Angstaanjagend eruitzien. Zelfs als ik dat probeer, zie ik er nog lachwekkend uit. Dat gelooft niemand. Zelfs de halfblinde Molukse opa uit mijn wijk, lacht mij uit als ik er angstaanjangend eraan komt stormen. “Hou toch op Emerson. Dat staat jou niet, angstaanjagend eruitzien. Jij lijkt niet op jouw vader en broer. Jij lijkt meer op premier Rutte, die komt ook niet geloofwaardig over”. Nee, ik lijk op mijn moeder. Althans dat wordt beweerd. Ook door de vrouwen die ik in de loop der jaren heb mogen verwelkomen in mijn leven. Maakt dat mij vrouwelijk? Is het erg om op mijn moeder te lijken? Vroeger dacht ik van wel. Nu niet. Mijn moeder is een prachtmens. Een prachtmens met een gebruiksaanwijzing, dat wel. Daarom lag ik vroeger altijd in de clinch met haar, want ik las nooit gebruiksaanwijzigingen. Ik ben zo’n type, die het product, bij levering, direct uit de dozen haalt en het zelf gaat proberen om het in elkaar te zetten. En pas na 3 uur, honderden mislukte pogingen, met een gevloek van hier naar Jeruzalem, pas de gebruiksaanwijzing erbij pakt. Als het je eenmaal gelukt is, ben je daarom ook erg blij. En dat ben ik ook met mijn moeder. Erg blij.

Mijn broertje is een ander verhaal. Ik ben er nog steeds niet achtergekomen op wie hij het meest lijkt. Op mij of op mijn broer. Ik hoop op geen van beide. Waarom? Dat kan ik u vertellen. Er waren genoeg jongens die vroeger een appeltje met mijn broer te schillen had. In mijn geval waren het vrouwen. Ik heb medelijden met mijn broertje als hij over straat loopt en eerst een knal voor zijn kanus krijgt en 100 meter verderop een bitchslap. Hij is het tegenovergestelde van ons beide. Geen ruzies, maar ook geen geouwehoer met vrouwen. Mijn broertje is rustig en dat maakt hem uniek.

Ik mis die oude tijden wel. De tijden dat ik zelf een kind was. Wonend aan de Talmastraat naast mijn buurjongen Jimmy. In de zomer lekker uitslapen en dan de hele dag voor het huis zitten, heerlijk in het zonnetje of een balletje trappen met de jongens in de Molukse wijk. Opscheppen over hoeveel wijven je gescoord heb. Een jointje opsteken en het rook uitblazen in het gezicht van de eerste de beste losertje wat voorbij komt sukkelen. Joël uitschelden over hoe zwart hij wel niet is. Joël en ik, we zijn twee aparte vrienden. Ook al zien we elkaar in jaren niet, als we elkaar zien, pakken we de draad zo weer op. We hebben één gezamelijk neefje. Darryl heet hij. Qua huidskleur lijkt hij meer Joël dan op mij. Twee van God losgeslagen zwarte rimboetijgers. Twee wannabe ANC strijders die graag negerhutjes bouwen in de tuin van oom Tom.

Op moment van schrijven zit mijn dochter naast me. Ze eet een Nijntje koekje en ziet hoe Bumba een instrument bespeelt. Die irritante kutclown heeft haar wel te pakken. Dat lukt mij nou niet. Een half uur van Raphorah’s aandacht opeisen. Zij ziet mij niet staan. Zodra Bumba op is, ben ik verleden tijd. Dan leeft Raphorah als het ware in de wondere wereld van Studio 100. Toch geeft ze me uit het niets ineens kusjes. Dat zijn de onvergetelijke momenten. Dat ze naar mij kijkt, lacht en spontaan een kusje op mijn wang geeft. Ze kan het niet zeggen, maar ik weet dat ze daarmee wilt zegen dat ze van me houdt. En dat doet mij goed. Papa houdt ook van jou schatje. Nu ik erover nadenk, vraag ik me af: Zou mijn vader dat vroeger ook tegen mij hebben gezegd toen ik een baby was?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s